Klaskit – boekbespreking

Onderzoeker een pedagoog Pedro De Bruyckere brengt in dit boek de onderwijswetenschap je klaslokaal en school binnen.
Daarbij schrijft Pedro zoals hij spreekt. Als je al eens een ‘talk’ van hem hebt gehoord of bijgewoond dan hoor je hem spreken terwijl je dit boek leest: toegankelijk, vermakelijk en toch serieus.

Na het lezen van Klaskit – tools voor topleraren, besef ik me terdege welk complex vak wij uitoefenen als leerkrachten. Waar we mee te maken hebben is een diverse groep individuen die we iets willen bijbrengen. De factoren die daarbij allemaal een rol spelen zijn legio. Als een iets-ervaren docent vind ik het al lastig om daar iedere keer weer een optimale mix in zien te vinden. Laat staan dat je als beginnend docent dit boek leest. Ik kan me dan zomaar voorstellen dat je niet weet waar te beginnen. Mijn tip: begin met één ding, waar jij op dit moment iets kunt oppakken waarvan je denkt dat je het laat liggen. En doe dat ene ding goed, totdat je toe bent aan de volgende!

Maar het boek Klaskit. Een boekje van 125 bladzijden (zonder het dankwoord en alle verwijzingen naar onderzoeken en literatuur) laat zich prima lezen langs een twaalftal hoofdstukken.
In ieder hoofdstuk komt een onderwerp (of lesmethode) aan bod waarbij steeds gekeken wordt waarom die methode van belang is, wanneer het kan werken, maar ook zeker wanneer het het dat (mogelijk) niet doet.
Daarmee kom je gelijk in de metafoor van het koken, die Pedro gebruikt, om aan te tonen dat in het onderwijs geen sprake kan zijn van een standaard recept, wat iedere keer hetzelfde gerecht oplevert. Nee je zult steeds goed moeten kijken in welke setting jij les geeft, met welke populatie, vanuit je eigen authenticiteit, met de bekende beperkingen of risico’s van een methode om in te schatten of je met de methode gaat bereiken wat je wilt bereiken. Dit geeft wel aan hoe complex lesgeven is. En hoe uitdagend en inspirerend het ook kan zijn.

In de loop van het lezen merk je dat de methodes ook nog eens niet los van elkaar staan maar in een complex geheel in elkaar grijpen; elkaar versterken of elkaar tegen kunnen werken.
Een aspect wat regelmatig terug komt is de rol van het werkgeheugen. Het werk geheugen kan veel, maar heeft ook zijn beperkingen.  Weten hoe het werkgeheugen functioneert helpt enorm om te begrijpen waarom bepaalde methodes die Pedro noemt zo goed werken en tegelijk waar de begrenzing ervan zit. Iets om hierover door te lezen is de cognitive load theorie van Sweller. Mocht je daar interesse in hebben kijk dan in deze blog van Paul Kirschner of in deze blog.

De methoden/onderwerpen die in Klaskit langs komen zijn:

  • Voorkennis
  • Vakkennis
  • Denken
  • Herhaling
  • Oefenen
  • Metacognitie
  • Evalueren & Feedback
  • Multimediaal (dual coding)
  • Visie
  • Relatie leerkracht-leerling

Een goed lezer herkent hierin het werk van de Learning Scientists , formatief evalueren , directe instructie en de onderwerpen die Dylan Wiliam propageert

De onderwerpen hier kort toelichten is ondoenlijk, daarmee doe ik de onderwerpen te kort. Ik stel voor dat je daarvoor het boekje gewoon aanschaft.

Het siert Pedro dat hij niet alleen mythes bestrijdt, maar ook een deur opent naar bewezen methodes voor je lessen die wel werken. Hij waarschuwt daar gelijk bij dat niet alles altijd in alle omstandigheden werkt. Die combinatie maakt dit boek eigenlijk verplichte kost voor de docentenopleidingen als je het mij vraagt. Maar ook voor nascholing van de oude rotten in het vak die met alle nieuwe inzichten, opgedaan uit onderzoek, ook weer een slag kunnen maken in hun professionaliseren.

 

 

Advertenties

Hacking homework – Boekbespreking

Eén van de boeken uit de Hacking serie, geschreven door Starr Sackstein & Connie Hamilton.

Sackstein is voor mij geen onbekende omdat ze actief is in de facebook groep Teachers throwing out grades – de Amerikaanse tegenhanger van Actief leren zonder cijfers. Sackstein was ook mede auteur van Hacking 10 ways to go gradeless die ik eerder al gereviewed heb.

Het principe van de Hacking serie vind ik mooi (komt in elk boek en bij iedere hack terug):

  • Stel een probleem vast
  • Beschrijf kort de ‘hack’
  • Wat kun je morgen al doen
  • Een blauwdruk voor een volledige implementatie
  • Omgaan met weerstand
  • Een praktijkvoorbeeld van een docent die de hack toegepast heeft

Het pleidooi in Hacking Homework is niet dat huiswerk in principe onzin is. Over het nut van huiswerk heeft Alfie Kohn al veel weerlegt in zijn The Homework myth (nog niet gelezen), maar dit boek is dus vooral geen oproep om een huiswerkvrije school te worden. In tegenstelling: het gaat op zoek naar vormen van huiswerk die wel waardevol zijn.

De hacks die beschreven worden vielen me eerlijk gezegd een beetje tegen. Ik heb geen echte eye openers gelezen. Veel hack zijn zijn zo voor de hand liggend, maar misschien wordt daardoor juist wel jouw blinde vlek belicht. Wie weet. Voor mij was het weinig nieuws onder de zon. Dat maakt dat ik het boek ook niet in detail heb lezen.

De 10 Hacks:

  1. Stop met het (verplicht) dagelijks opgeven van huiswerk;
    Op veel scholen blijkt het opgeven en maken van huiswerk een vast en verplicht gegeven te zijn. Breek daarmee en denk na over welk huiswerk je wanneer wilt opgeven. Dat kan bijvoorbeeld ook zijn: zoek thuis vier verpakkingen die wiskundig een ander ruimtefiguur voorstellen.
  2. Leer leerlingen in de les organiseren en verantwoordelijkheid nemen;
    Veel docenten lijken te denken dat huiswerk een manier is om leerlingen te leren organiseren en verantwoordelijkheid te nemen.Echter je vraag iets aan een leerling om te leren, maar thuis kun je de benodigde hulp niet geven. Doe dat dan dus op school!
  3. Leer je leerlingen kennen (‘cultivate rapport’);
    De vertaling hiervan vond ik even lastig. Hier wordt beschreven dat je moet investeren in het leren kennen van je leerling. Bespreek regelmatig hoe het gaat en luister vooral actief.
  4. Maak huiswerk op maat (differentieer in huiswerk);
    Niet iedere leerling is in dezelfde fase van leren. Waarom dus iedereen hetzelfde huiswerk geven. Dat zal voor de één te saai zijn (en dus stom) en voor een ander nog te lastig (en haakt af). Geef dus huiswerk die relevant is voor die leerling.
  5. Moedig leerlingen aan om te spelen;
    Kinderen spelen te weinig en huiswerk is niet belangrijker dan sociale ontwikkeling. Waar mogelijk probeer je school activiteit te koppelen aan een spel vorm.
  6. Wek nieuwsgierigheid aan het begin van de les;
    Leerlingen raken gedemotiveerd als ze niet weten wat ze moeten leren en waarom. Leerlingen zijn van nature wel nieuwsgierig. Als je die nieuwsgierigheid weet aan te boren, zal ook de weerstand voor o.a. huiswerk minder worden.
  7. Gebruik digitale mogelijkheden;
    In dit hoofdstuk noemen ze het zelf : de digitale speeltuin; ofwel maak gebruik van spelvormen die digitaal mogelijk zijn in je lessen en integreer de digitale sociale media daarbij.
  8. Laat leerlingen invloed hebben in het huiswerk;
    Dit sluit aan op het differentiëren in hack no 4, maar gaat een stap verder: geef leerlingen keuze mogelijkheden en leer ze kwaliteit van werk en kwaliteit van leren. Doordat ze eigen keuzes maken, neemt de motivatie toe.
  9. Betrek het gezin (ouders) ;
    Niet alleen bij het huiswerk, wat dat versterkt wellicht nog meer de verschillen vanuit thuis situaties, maar vooral bij de verandering die je ten aanzien van huiswerkbeleid maakt. Het hebben van leerdoelen en succescriteria helpt ouders hier al een hoop in.
  10. Laat groei/ontwikkeling zien bij leerlingen;
    Om het leren van ze leerlingen zichtbaar te maken is het laten zien van groei essentieel. Leerlingen die groei zijn, zullen gemotiveerder zijn om ook een volgende stap te zetten. Leerlingen zelf ook laten reflecteren op het geleerde. Ofwel: hier zit een stuk formatieve evaluatie in.

Ten aanzien van huiswerk denk ik dat wel als leerkracht altijd moeten zorgen dat het opgegeven huiswerk relevant is en terugkomt in de lessen zodat het voor leerlingen ook aan belangrijkheid wint. Het is ook goed om te realiseren dat leerlingen ook buiten school op sociaal vlak nog volop in ontwikkeling zijn. Als wij die ruimte volgooien met 2 uur huiswerk per dag, dan wordt een schoolweek met 32 uur les en 14 uur huiswerk meer dan de werkweek van de gemiddelde werkende. Willen we dat echt?

Wil je het effect van verschillen in thuissituaties verminderen, dan moet je erg voorzichtig zijn met welk huiswerk je gaat opgeven. Verwerken en stampen hebben dan geen zin. Bij verwerking kan onvoldoende steun mogelijk thuis gegeven worden en stampen is geen effectieve leerstrategie.

Wil je anders met huiswerk omgaan en/of ben je sceptisch  en laat je je graag overtuigen dan is dit een fijn boekje om te lezen.
Ben je al kritisch met huiswerk en denk je daar al zorgvuldig over na, dan betwijfel ik of dit boekje je iets te bieden heeft.

Orde houden, in het voortgezet onderwijs – boekbespreking

Is er dan geen orde in mijn klas, dat ik toch dit boekje van René Kneyber ben gaan lezen? Nee, dat niet (wanorde is ook een vorm van orde 😉  ), maar met de verandering van school die aanstaande is, besef ik me dat ik ergens weer opnieuw moet beginnen met iets op te bouwen. Ook qua hoe leerlingen tegen je aankijken. Er is geen vriendje of zus in een hogere klas die vooraf vertelt hoe jij bent en hoe je lessen gaan. Hoe positief leerlingen op mijn oude school ook zijn, op mijn nieuwe school (het Fioretti college in Hillegom) zal ik weer onderaan moeten beginnen. Daar komt dan bij dat het Fioretti een vmbo school is en ik voor het eerst ook te maken ga krijgen met basis en kader vmbo.

De inhoudsopgave stelt me gerust: de woorden ‘straffen’, ‘belonen’ en ‘sancties’ staan er niet in.

Wel:

  1. Het probleem in beeld
  2. Orde en ordening
  3. Voorkomen van problemen
  4. Reageren op probleem
  5. De eerste weken van het schooljaar

Probleem in beeld
Hoofdstuk één sluit mooi aan bij het boek Tienerbrein (Jelle Jolles). Er is sprake van hersenontwikkeling bij kinderen. Dat heeft tot gevolg dat ze nog niet altijd kunnen wat wij van ze verwachten en dat het aan ons is om daar iets aan en mee te doen. De wet op Passend Onderwijs heeft daarin de docent niet echt geholpen. Je komt nu vaker dan vroeger een leerling in je klas tegen die een geclassificeerde stoornis (bijvoorbeeld autisme of odd) heeft. Kneyber schets behalve dit probleem ( wat hij noemt gedragsproblemen) nog twee andere problemen namelijk motivatieproblemen en handelingscontroleproblemen. Maar wat de aard van de onrust in de klas ook is: de bal lig bij de docent om de orde te scheppen.

Jij als docent
In hoofdstuk twee geeft Kneyber wat richting aan houding en actie die je als docent kunt (in)nemen. Zo noemt hij het zorgen voor balans in de zin van geven en nemen; waarbij ik nog wel de aanvulling wil geven dat je moet voorkomen dat er een onderhandelingscultuur ontstaat. Het geven en nemen dat genoemd wordt is veel subtieler dan het platte onderhandelen (waar ik persoonlijk het liefst uit blijf).  Voor een ervaren docent een inkopper en voor een nieuwe docent een lastige: geef iedereen een plek; zorg dat iedereen zich gezien voelt. Ik weet nog wel dat ik als startende docent de klas als één geheel zag en dat het best wel tijd gekost heeft om minder met jezelf bezig te zijn en meer met de individuen in de klas. Toch is het belangrijk, ook als beginnend docent, om je te realiseren dat dit echt een groot effect heeft.  Het derde punt in dit hoofdstuk is het winnen van autoriteit. Let wel: autoriteit neem je niet, die moet je verdienen. De tips die gegeven worden openen voor mij, met de aanstaande schoolwissel, wel de ogen. Bruikbaar dus!

Voorkomen
Het voorkomen van problemen, beslaat hoofdstuk 3, en zit vol met tips, inzichten, handvatten en valkuilen. Ik herken veel van wat ik in de praktijk ook doe en gedaan heb. Fijn om te lezen dat dat iets breeds is. Sterk in dit hoofdstuk is het VIP: visuele instructie plannen. Vergelijk het met Lego bouwplan waarin stap voor stap steeds de nieuwe stap visueel zichtbaar is. Zeker voor de vmbo leerlingen die ik ga krijgen een mooi ondersteunend model. Dat ga ik zeker gebruiken, misschien iets online opzetten om dit met wiskundecollega’s te delen.

Reageren
Hoofdstuk 4, toch zo’n 35 van de in totaal 95 bladzijden, gaan over hoe te reageren op problemen. Zeker voor een beginnende docent is het gedeelte over persoonlijke- en professionele grenzen een waardevolle. Uiteraard wordt consequent zijn genoemd, evenals het opbouwen van de strafmaat en de verhouding tussen de straf en het ongewenste gedrag. De manier om daar tegen aan te kijken in termen van duurder en goedkoper is een mij onbekende maar wel een hele duidelijke manier om het voor jezelf goed ‘in te richten’. Er wordt ingegaan op vormen van straffen met de bijbehorende voor- en nadelen. Hier legt Kneyber ook een link naar de eerder genoemde geclassificeerde stoornissen m.b.v. handelingsplannen: duidelijk is dat orde houden hiermee ook een team issue is!

Het schooljaar begint…
In het laatste hoofdstukje – de eerste weken van het schooljaar – geeft nog wat tips en houvast om met nieuwe groepen het schooljaar te starten, met name geput uit de hoofdstukken voorkomen en reageren op problemen. Zo straks als Kneyber het hier schetst doe ik dat zeker niet als ik terugkijk naar mijn afgelopen jaren. Maar misschien dat ik dit hoofdstuk  voordat ik straks echt begin, nog eens opnieuw doorlees. Ik vraag me ook af wat René hier zelf van nog doet aan het begin van het schooljaar. En zeker nu ook hij op een nieuwe school gaat starten.

Conclusie
Veel van wat Kneyber schrijft in dit boekje is, als ervaren docent, zo herkenbaar. En praktisch alles heb ik daarvan hands-on en van collega’s doorgekregen. Wat was het fijn geweest als ik hier in mijn opleiding ook al wat van had meegekregen. Al was het maar om vanuit een stukje theorie wat meer gericht uit te kunnen proberen, reflecteren of bewust op te letten bij lesbezoeken tijdens de stages.
Daarnaast kan ik me ook voorstellen dat ik, nu ik dit boekje gelezen heb, bewuster van geworden van hoe ik bezig ben met orde. Dat maakt dat ik nieuwe docenten en stagiairs ook beter kan begeleiden op dit onderdeel. Het heeft een groot onbewust deel bewust gemaakt. En daaruit valt het halen wat René Kneyber ook in het begin van het boek schrijft: ‘orde houden is te leren’.

Boekbespreking – Toetsrevolutie

Deze boekbespreking verscheen eerder (29 december 2016) op Komensky post

Laat ik maar direct eerlijk zijn: het valt niet mee om objectief te blijven over een boek als Toetsrevolutie* als een aantal schrijvers en bijdragers, in je top 10 lijstje staan van inspiratoren uit het onderwijs.

Ik wil ervoor waken dat het een review wordt in de stijl van “Wij van wc-eend, ……” en hopelijk is dat gelukt. Zo niet, dan heb ik in ieder geval de poging daartoe gedaan en hoop ik dat hettoetsrevolutie-hr me vergeven wordt.

 

De aanleiding

Waar leerlingen zich vooral in zullen herkennen, is de hoge mate van toetsdruk in het onderwijsprogramma. Al vroeg in hun basisschoolcarrière worden leerlingen geconfronteerd met toetsen: het op een bepaald moment moeten voldoen aan een vastgestelde norm. Daar krijg je een waardering (meestal in de vorm van een cijfer) voor, waar dan een status of een oordeel uit voort komt. In het voorgezet onderwijs komt daarbij dat ieder vak in een rapportperiode een bepaald aantal cijfers moet produceren, anders zegt een rapportgemiddelde te weinig om op een rapportvergadering een ‘goed’ besluit te kunnen nemen. De schrijvers en bijdragers van dit boek geven allemaal aan dat er in dit proces iets cruciaals vergeten wordt: het leren van de kinderen! De focus komt primair te liggen op het leren voor een cijfer. Terwijl we eigenlijk willen dat een leerling leert om er wijzer van te worden; dat een leerling leert om een ontwikkeling door te maken. Het leren om daadwerkelijk ook iets te leren lijkt in de huidige praktijk van ondergeschikt belang.

De verandering

De verandering die er moet plaatsvinden, volgens de schrijvers en bijdragers, is een verandering van leren voor cijfers, naar leren om het leren. In andere woorden: niet meer toetsen om het toetsen (en produceren van cijfers) maar toetsen om van te leren. In vaktechnische bewoordingen is dat een verschuiving van summatief toetsen naar formatief toetsen. Heel simpel gezegd verschuift de summatieve toets die normaal aan het einde van de lesstof zit en de leerperiode afsluit, naar een ander moment of zelfs naar meerdere momenten. De formatieve toets vindt plaats gedurende de leerperiode, dus terwijl de lerende nog midden in de lesstof zit. Na afname van de toets ontvangt de lerende feedback en krijgt de ruimte, kans en tijd om verder te leren. Maar dat is de simpele versie. Want (zo blijkt uit de zowel theoretische als praktische bijdragen in het boek) formatief lesgeven en het implementeren van een feedback-cultuur is een omvangrijke en ingrijpende verandering in het onderwijs.

Ingrijpend & energiek

Wat me opvalt in de verhalen van docenten die begonnen zijn met formatief toetsen, is de energie die ze uitstralen. Niet alleen zijn het bevlogen docenten; al deze docenten geven aan dat ze door formatief te werken, weer naar de kern van hun vak zijn teruggekeerd. Allemaal zijn ze zich opnieuw gaan afvragen wat nu ook al weer belangrijk is voor hun vak. Wat moeten de kinderen daadwerkelijk leren? Hoe zit het curriculum in elkaar? En niet alleen kijken ze naar de kennis, maar ook zie ik ze kijken naar studievaardigheden, samenwerking, leren reflecteren etc., etc. Ze vragen zich ook af: wat hebben de leerlingen van mij nodig? Hoe kan ik, of de leerlingen zelf laten, controleren hoe ver ze zijn in hun leren. Hoe komen ze een stap verder? In plaats van dat docenten een toets nakijken met een afrekenblik en een focus op wat er fout is, kijken ze nu naar wat er al goed is en hoe een kind verder kan komen. De positieve energie die dat oplevert, straalt er bij alle bijdragers vanaf. Een positieve docent voor de klas. Dat kan toch nooit verkeerd uitpakken?

Maar ingrijpend is het ook. Want alle vragen die deze docenten zichzelf stellen, daar moeten ook antwoorden op komen. Om aan te sluiten bij het proces van feedback en feedforward moet goed passend lesmateriaal gezocht of gemaakt worden. Ik zie verschillende docenten die hun eigen lesmateriaal of zelfs een geheel eigen methode geschreven hebben. Dat kost denk-, ontwikkel- en maaktijd en ook tijd om met leerlingen te ‘testen’ en te verfijnen. Docenten doen dat nu nog vaak solistisch. Het zou veel fijner en efficiënter zijn als docenten dat veel meer in samenwerking zouden kunnen doen. Dat komt de kwaliteit ook ten goede. Samenwerken vereist ook naar docenten toe en tussen docenten onderling een meer open feedback-cultuur. Iets wat momenteel nog niet vanzelfsprekend is.

Feedback geven en organiseren in een klas kost tijd. In de volle klassen van tegenwoordig dwingt je dat te zoeken naar mogelijkheden zoals het feedback geven van leerlingen aan elkaar, in het boek genoemd als peerfeedback. Wellicht dat digitalisering daar in kan helpen. Maar gelukkig ligt de focus daar in het boek niet op: het gaat om het onderwijsleerproces en niet om de tools. Die zijn altijd ondersteunend.

Implementeren

In de afsluiting van het boek staan zes aanbevelingen voor het implementeren van een feedback-cultuur in het onderwijs. Omdat ik zelf ook bij een pilot met formatief (en cijferloos) evalueren betrokken ben, heb ik daar wat langer naar zitten kijken.

Volgens mij is die eerste stap met het curriculaire spinnenweb een hele essentiële.

spinnenweb

 

Het is Het Waartoe.  Als je dat niet deelt met elkaar als team op een school, dan kunnen er op enig moment enorme problemen ontstaan:

  • Zo kunnen er keuzes gemaakt worden die niet in lijn zijn met wat je als school wilt.
  •  Of het team zal niet achter keuzes staan en door andere invullingen te geven aan afspraken er voor zorgen dat er scheurtjes ontstaan in het spinnenweb.
  •  Er kan een mindere dynamiek tussen docenten zijn of ontstaan als ze niet hetzelfde willen nastreven. Andersom: ik ervaar een enorme dynamiek als ik met mensen samenwerk die dezelfde ambities en doelen hebben!

Mijn persoonlijke tip is om deze eerste stap dan ook echt, maar dan ook echt heel erg goed te doen. En wil je formatief, dan zul je dat meteen vanaf het begin al in moeten brengen. Dan zal iedereen hier al moeten beseffen (op hoofdlijnen, nog niet in concrete oplossingen!) wat formatief leren/lesgeven/evalueren inhoudt: voor het onderwijs, voor leerlingen, voor zichzelf, voor de rapportvergadering, voor ouders etc.

Voor wie is dit boek?

Ben je bezig met formatief lesgeven of formatief toetsen dat is dit boek een heel fijn boek om te hebben. Het inspireert je om door te gaan, het geeft je nieuwe ideeën vanuit de praktijkvoorbeelden van collega’s. Het geeft voor iedere docent begrijpelijke achtergrond informatie vanuit onderzoek en het geeft houvast bij implementatiestappen.

Het is een geschikt boek om aan je leidinggevende te geven als die nog niet overtuigd is van formatief toetsen, of aan collega’s die je aan het denken wilt zetten. Het boek is namelijk niet belerend. Het probeert je niet te overtuigen in de zin dat het vindt dat JIJ als lezer iets moet. Het laat je zien waar anderen enthousiast over zijn en wat bij hen werkt. Het laat ook zien, met onderbouwing, waarom het werkt.

Het is een prima boek om aan beleidsmakers te geven die na moeten denken over onderwijsvisie en kwaliteit van onderwijs. Zij krijgen kans door een bril te kijken naar onderwijs, dat meer is dan het zijn van een cijferfabriek; onderwijs meer gericht op groei van kinderen, op een manier die veel meer recht doet aan kinderen en hun docenten; een bril op onderwijs die laat zien dat het beleid op onderwijs momenteel een belemmerende factor is op bepaalde momenten.

Het is ook een boek voor uitgevers van onderwijsboeken en methodes. Zij kunnen zien dat docenten eigen materiaal en zelfs methodes zijn gaan schrijven omdat de huidige methodes blijkbaar niet aansluiten bij formatief lesgeven. Voor hen een mooi aanknopingspunt om die aansluiting wel weer te gaan zoeken en vinden.

Als laatste zou het ook niet verkeerd zijn om ouders dit boek te laten lezen. Wat zou het fijn zijn als ouders wat minder naar cijfers gaan vragen als hun kind thuis komt van school (“En heb je nog cijfers terug?”), maar wat meer naar hun welbevinden en het proces van leren (“En hoe is je dag, is het nog gelukt met reactievergelijkingen waar je gisteren mee worstelde?”).

Mocht je na het lezen van deze bespreking of na het lezen van het boek Toetsrevolutie aansluiting zoeken bij collega’s die ook op de route van het formatief lesgeven hun stappen aan het zetten zijn, kijk dan eens op de facebookgroep Actief leren zonder cijfers. Daar wordt veel gedeeld en kun je je vragen kwijt.

Toetsrevolutie is ook als pdf gratis te downloaden.

De toetsrevolutie. Naar een feedbackcultuur in het voortgezet onderwijs. Door Dominque Sluijsmans en René Kneyber (red.). Uitg. Phronese, Culemborg 2016.