Hacking homework – Boekbespreking

Eén van de boeken uit de Hacking serie, geschreven door Starr Sackstein & Connie Hamilton.

Sackstein is voor mij geen onbekende omdat ze actief is in de facebook groep Teachers throwing out grades – de Amerikaanse tegenhanger van Actief leren zonder cijfers. Sackstein was ook mede auteur van Hacking 10 ways to go gradeless die ik eerder al gereviewed heb.

Het principe van de Hacking serie vind ik mooi (komt in elk boek en bij iedere hack terug):

  • Stel een probleem vast
  • Beschrijf kort de ‘hack’
  • Wat kun je morgen al doen
  • Een blauwdruk voor een volledige implementatie
  • Omgaan met weerstand
  • Een praktijkvoorbeeld van een docent die de hack toegepast heeft

Het pleidooi in Hacking Homework is niet dat huiswerk in principe onzin is. Over het nut van huiswerk heeft Alfie Kohn al veel weerlegt in zijn The Homework myth (nog niet gelezen), maar dit boek is dus vooral geen oproep om een huiswerkvrije school te worden. In tegenstelling: het gaat op zoek naar vormen van huiswerk die wel waardevol zijn.

De hacks die beschreven worden vielen me eerlijk gezegd een beetje tegen. Ik heb geen echte eye openers gelezen. Veel hack zijn zijn zo voor de hand liggend, maar misschien wordt daardoor juist wel jouw blinde vlek belicht. Wie weet. Voor mij was het weinig nieuws onder de zon. Dat maakt dat ik het boek ook niet in detail heb lezen.

De 10 Hacks:

  1. Stop met het (verplicht) dagelijks opgeven van huiswerk;
    Op veel scholen blijkt het opgeven en maken van huiswerk een vast en verplicht gegeven te zijn. Breek daarmee en denk na over welk huiswerk je wanneer wilt opgeven. Dat kan bijvoorbeeld ook zijn: zoek thuis vier verpakkingen die wiskundig een ander ruimtefiguur voorstellen.
  2. Leer leerlingen in de les organiseren en verantwoordelijkheid nemen;
    Veel docenten lijken te denken dat huiswerk een manier is om leerlingen te leren organiseren en verantwoordelijkheid te nemen.Echter je vraag iets aan een leerling om te leren, maar thuis kun je de benodigde hulp niet geven. Doe dat dan dus op school!
  3. Leer je leerlingen kennen (‘cultivate rapport’);
    De vertaling hiervan vond ik even lastig. Hier wordt beschreven dat je moet investeren in het leren kennen van je leerling. Bespreek regelmatig hoe het gaat en luister vooral actief.
  4. Maak huiswerk op maat (differentieer in huiswerk);
    Niet iedere leerling is in dezelfde fase van leren. Waarom dus iedereen hetzelfde huiswerk geven. Dat zal voor de één te saai zijn (en dus stom) en voor een ander nog te lastig (en haakt af). Geef dus huiswerk die relevant is voor die leerling.
  5. Moedig leerlingen aan om te spelen;
    Kinderen spelen te weinig en huiswerk is niet belangrijker dan sociale ontwikkeling. Waar mogelijk probeer je school activiteit te koppelen aan een spel vorm.
  6. Wek nieuwsgierigheid aan het begin van de les;
    Leerlingen raken gedemotiveerd als ze niet weten wat ze moeten leren en waarom. Leerlingen zijn van nature wel nieuwsgierig. Als je die nieuwsgierigheid weet aan te boren, zal ook de weerstand voor o.a. huiswerk minder worden.
  7. Gebruik digitale mogelijkheden;
    In dit hoofdstuk noemen ze het zelf : de digitale speeltuin; ofwel maak gebruik van spelvormen die digitaal mogelijk zijn in je lessen en integreer de digitale sociale media daarbij.
  8. Laat leerlingen invloed hebben in het huiswerk;
    Dit sluit aan op het differentiëren in hack no 4, maar gaat een stap verder: geef leerlingen keuze mogelijkheden en leer ze kwaliteit van werk en kwaliteit van leren. Doordat ze eigen keuzes maken, neemt de motivatie toe.
  9. Betrek het gezin (ouders) ;
    Niet alleen bij het huiswerk, wat dat versterkt wellicht nog meer de verschillen vanuit thuis situaties, maar vooral bij de verandering die je ten aanzien van huiswerkbeleid maakt. Het hebben van leerdoelen en succescriteria helpt ouders hier al een hoop in.
  10. Laat groei/ontwikkeling zien bij leerlingen;
    Om het leren van ze leerlingen zichtbaar te maken is het laten zien van groei essentieel. Leerlingen die groei zijn, zullen gemotiveerder zijn om ook een volgende stap te zetten. Leerlingen zelf ook laten reflecteren op het geleerde. Ofwel: hier zit een stuk formatieve evaluatie in.

Ten aanzien van huiswerk denk ik dat wel als leerkracht altijd moeten zorgen dat het opgegeven huiswerk relevant is en terugkomt in de lessen zodat het voor leerlingen ook aan belangrijkheid wint. Het is ook goed om te realiseren dat leerlingen ook buiten school op sociaal vlak nog volop in ontwikkeling zijn. Als wij die ruimte volgooien met 2 uur huiswerk per dag, dan wordt een schoolweek met 32 uur les en 14 uur huiswerk meer dan de werkweek van de gemiddelde werkende. Willen we dat echt?

Wil je het effect van verschillen in thuissituaties verminderen, dan moet je erg voorzichtig zijn met welk huiswerk je gaat opgeven. Verwerken en stampen hebben dan geen zin. Bij verwerking kan onvoldoende steun mogelijk thuis gegeven worden en stampen is geen effectieve leerstrategie.

Wil je anders met huiswerk omgaan en/of ben je sceptisch  en laat je je graag overtuigen dan is dit een fijn boekje om te lezen.
Ben je al kritisch met huiswerk en denk je daar al zorgvuldig over na, dan betwijfel ik of dit boekje je iets te bieden heeft.

Orde houden, in het voortgezet onderwijs – boekbespreking

Is er dan geen orde in mijn klas, dat ik toch dit boekje van René Kneyber ben gaan lezen? Nee, dat niet (wanorde is ook een vorm van orde 😉  ), maar met de verandering van school die aanstaande is, besef ik me dat ik ergens weer opnieuw moet beginnen met iets op te bouwen. Ook qua hoe leerlingen tegen je aankijken. Er is geen vriendje of zus in een hogere klas die vooraf vertelt hoe jij bent en hoe je lessen gaan. Hoe positief leerlingen op mijn oude school ook zijn, op mijn nieuwe school (het Fioretti college in Hillegom) zal ik weer onderaan moeten beginnen. Daar komt dan bij dat het Fioretti een vmbo school is en ik voor het eerst ook te maken ga krijgen met basis en kader vmbo.

De inhoudsopgave stelt me gerust: de woorden ‘straffen’, ‘belonen’ en ‘sancties’ staan er niet in.

Wel:

  1. Het probleem in beeld
  2. Orde en ordening
  3. Voorkomen van problemen
  4. Reageren op probleem
  5. De eerste weken van het schooljaar

Probleem in beeld
Hoofdstuk één sluit mooi aan bij het boek Tienerbrein (Jelle Jolles). Er is sprake van hersenontwikkeling bij kinderen. Dat heeft tot gevolg dat ze nog niet altijd kunnen wat wij van ze verwachten en dat het aan ons is om daar iets aan en mee te doen. De wet op Passend Onderwijs heeft daarin de docent niet echt geholpen. Je komt nu vaker dan vroeger een leerling in je klas tegen die een geclassificeerde stoornis (bijvoorbeeld autisme of odd) heeft. Kneyber schets behalve dit probleem ( wat hij noemt gedragsproblemen) nog twee andere problemen namelijk motivatieproblemen en handelingscontroleproblemen. Maar wat de aard van de onrust in de klas ook is: de bal lig bij de docent om de orde te scheppen.

Jij als docent
In hoofdstuk twee geeft Kneyber wat richting aan houding en actie die je als docent kunt (in)nemen. Zo noemt hij het zorgen voor balans in de zin van geven en nemen; waarbij ik nog wel de aanvulling wil geven dat je moet voorkomen dat er een onderhandelingscultuur ontstaat. Het geven en nemen dat genoemd wordt is veel subtieler dan het platte onderhandelen (waar ik persoonlijk het liefst uit blijf).  Voor een ervaren docent een inkopper en voor een nieuwe docent een lastige: geef iedereen een plek; zorg dat iedereen zich gezien voelt. Ik weet nog wel dat ik als startende docent de klas als één geheel zag en dat het best wel tijd gekost heeft om minder met jezelf bezig te zijn en meer met de individuen in de klas. Toch is het belangrijk, ook als beginnend docent, om je te realiseren dat dit echt een groot effect heeft.  Het derde punt in dit hoofdstuk is het winnen van autoriteit. Let wel: autoriteit neem je niet, die moet je verdienen. De tips die gegeven worden openen voor mij, met de aanstaande schoolwissel, wel de ogen. Bruikbaar dus!

Voorkomen
Het voorkomen van problemen, beslaat hoofdstuk 3, en zit vol met tips, inzichten, handvatten en valkuilen. Ik herken veel van wat ik in de praktijk ook doe en gedaan heb. Fijn om te lezen dat dat iets breeds is. Sterk in dit hoofdstuk is het VIP: visuele instructie plannen. Vergelijk het met Lego bouwplan waarin stap voor stap steeds de nieuwe stap visueel zichtbaar is. Zeker voor de vmbo leerlingen die ik ga krijgen een mooi ondersteunend model. Dat ga ik zeker gebruiken, misschien iets online opzetten om dit met wiskundecollega’s te delen.

Reageren
Hoofdstuk 4, toch zo’n 35 van de in totaal 95 bladzijden, gaan over hoe te reageren op problemen. Zeker voor een beginnende docent is het gedeelte over persoonlijke- en professionele grenzen een waardevolle. Uiteraard wordt consequent zijn genoemd, evenals het opbouwen van de strafmaat en de verhouding tussen de straf en het ongewenste gedrag. De manier om daar tegen aan te kijken in termen van duurder en goedkoper is een mij onbekende maar wel een hele duidelijke manier om het voor jezelf goed ‘in te richten’. Er wordt ingegaan op vormen van straffen met de bijbehorende voor- en nadelen. Hier legt Kneyber ook een link naar de eerder genoemde geclassificeerde stoornissen m.b.v. handelingsplannen: duidelijk is dat orde houden hiermee ook een team issue is!

Het schooljaar begint…
In het laatste hoofdstukje – de eerste weken van het schooljaar – geeft nog wat tips en houvast om met nieuwe groepen het schooljaar te starten, met name geput uit de hoofdstukken voorkomen en reageren op problemen. Zo straks als Kneyber het hier schetst doe ik dat zeker niet als ik terugkijk naar mijn afgelopen jaren. Maar misschien dat ik dit hoofdstuk  voordat ik straks echt begin, nog eens opnieuw doorlees. Ik vraag me ook af wat René hier zelf van nog doet aan het begin van het schooljaar. En zeker nu ook hij op een nieuwe school gaat starten.

Conclusie
Veel van wat Kneyber schrijft in dit boekje is, als ervaren docent, zo herkenbaar. En praktisch alles heb ik daarvan hands-on en van collega’s doorgekregen. Wat was het fijn geweest als ik hier in mijn opleiding ook al wat van had meegekregen. Al was het maar om vanuit een stukje theorie wat meer gericht uit te kunnen proberen, reflecteren of bewust op te letten bij lesbezoeken tijdens de stages.
Daarnaast kan ik me ook voorstellen dat ik, nu ik dit boekje gelezen heb, bewuster van geworden van hoe ik bezig ben met orde. Dat maakt dat ik nieuwe docenten en stagiairs ook beter kan begeleiden op dit onderdeel. Het heeft een groot onbewust deel bewust gemaakt. En daaruit valt het halen wat René Kneyber ook in het begin van het boek schrijft: ‘orde houden is te leren’.

Verwondering – Dick van der Wateren – Boekbespreking

Met als ondertitel: ‘Leren creatief en kritisch denken door vragen te stellen’

Een prettig leesbaar boekje. Zonder de bijlagen nog geen 80 bladzijden en in een steltreinvaart te lezen.

Getriggerd door vragen als ‘Waarom moet ik dit leren?’ heeft Dick zich afgevraagd waarom we in het onderwijs de dingen doen zoals we ze doen. Hij zag de motivatieproblematiek van leerlingen en is tot de conclusie gekomen dat we te veel met antwoorden (uit de boeken) bezig zijn en te weinig met de vragen zelf. Die vragen zijn namelijk veel interessanter, stelt hij,  en doen veel meer een beroep op de aangeboren nieuwsgierigheid. Nieuwsgierigheid die leerlingen, door de manier waarop veelal lesgegeven wordt, al snel in het voortgezet onderwijs kwijt raken.

Een van de citaten die mij erg aanspreek is

‘Leren zonder fouten maken is onmogelijk’

Om een leerlingen fouten te kunnen laten maken, moet je wel de juiste context creëren. Het stellen van wat Dick ‘Grote vragen’ noemt bevordert het denken & onderzoeken en wakkeren een nieuwsgierigheid aan bij leerlingen. Grote vragen gaan bijvoorbeeld over ‘ethiek en zingeving’, ‘ontstaan en geschiedenis van de aarde’, ‘democratie’, etc. Vragen die alleen triviale antwoorden kennen zijn niet interessant in het kader van het bevorderen van het denken.
Uiteraard kenmerkt de vraagstelling het gebruik van de woorden waarom, waardoor, waarvoor, wat….als en hoe. Niet toevallig zijn dat ook de woorden die Jelle Jolles in zijn boek Tienerbrein gebruikt om leerlingen te helpen in het ontwikkelen van hun executieve vaardigheden. Het zijn worden waardoor de vraag niet alleen open is, maar ook waardoor het denken aangezet wordt.

In het vervolg van het boekje gaat om om de juiste open vragen te leren stellen, in een context en omgeving waarin leerlingen zich veilig en vertrouwd voelen om daar over na te denken en zelf vragen over te kunnen stellen. Dat vraag iets van jou als docent en van de leerling in je klas. Het boek biedt voldoende handvatten om daar werk van te maken.

De bijlage kennen veelal goede toevoegingen en voorbeelden op de verschillende onderdelen om de juiste vragen te leren stellen en leerlingen daarmee aan het werk te zetten. Hij geeft voorbeelden voor de verschillende profielen (havo/vwo).  Duidelijk is wel dat de achtergrond van Dick een technische is, want veel voorbeelden zijn opgehangen aan het doen van onderzoek. Wellicht hoor dat ook bij verwonderen, maar ik houdt het graag ook klein.

Ik neem mee dat ik mijn lessen veel interessanter kan maken door meer gebruik te maken van prikkelende vragen, waarvan het antwoord feitelijk niet interessant (en nog niet bekend) is en die leerlingen aanzet om te gaan denken. Ze moeten dus nieuwsgierigheid opwekken en in aan belevingswereld aan sluiten. Dat zal niet altijd makkelijk zijn.
Er lijkt enige parallel naar de wiskundige denk activiteiten te zijn, maar daar is de focus toch snel weer naar een stuk oplossing en minder naar het wat bredere verwonderen. Vaak zijn het ook verdiepingsvragen. Ik zie ook juist mogelijkheden om aan het begin van onderwerpen de verwondering in te zetten en het vak in de basis aantrekkelijker te maken.

Heb ik heel veel nieuws gelezen: nee eigenlijk niet. Maar doordat het zo bondig en overzichtelijk beschreven staat en ook nog eens aansluit bij wat ik in Tienerbrein gelezen heb, vindt er toch wat transfer tussen beide boeken plaats en in mijn brein is weer een extra antenne actief gemaakt.

Dank Dick daarvoor!

 

Toetsrevolutie-congres

Hij stond al even in de agenda: het toetsrevolutiecongres. Zodra ik wist dat het aantal plaatsen beperkt was, had ik Dominique al laten gevraagd mij tijdig te informeren wanneer de inschrijving zou starten want deze wilde ik echt niet missen. Dat bleek ook niet te kunnen, want ik werd benaderd als gast spreker/workshopgever. Super vereerd natuurlijk, maar nog blijer dat ik dat samen met Dieke mocht doen. Zelfs in de voorbereiding ervan hebben we van elkaar zitten leren. Hoe gaaf is dat!

 

Een verademing om in Nieuwegein tussen de congresgebouwen door te lopen naar Green Village.  Een prachtige boerderij waarvan de karakteristieken in tact zijn gelaten en met een groene omgeving met bomen volop in prachtige bloesem. Het maakte dat we ons in een oase waanden.  De opzet om het klein te houden is denk ik een bewuste. Alhoewel ik niet naar de reden heb gevraagd, denk ik dat dat de interactie tussen de aanwezigen wel echt bevorderd heeft. Het is wat intiemer, en daardoor was het makkelijker om ook echt in gesprek te gaan met elkaar. Daardoor kon je ook echt je vraag stellen, je uitwisselingen doen.

Na de opening door René gingen we met Dominique langs een aantal tegelwijsheden rondom formatief toetsen. Dat woord toetsen werd trouwens al snel ter discussie gesteld, met dankzij deze tegel:

We zijn het er roerend over eens, dat het formatieve handelen, formatieve lesgeven, formatieve evalueren iets is wat je in je lessen doet. En eigenlijk kwam het grootste inzicht op wat formatief toetsen is misschien wel in het nawoord van Linda Allal (maar omdat deze blog chronologisch de dag doorloopt, komt dat inzicht pas een stukje verderop)

Voor mij is formatief werken/evalueren dan ook echt mijn lespraktijk geworden en spreek ik liever niet meer over formatief toetsen. Je kunt een toets gebruiken als instrument om te beoordelen waar iemand is in zijn/haar leren en om informatie te verzamelen voor een volgende stap. Dat is dan echter wel een andere toets(vraag) dan een summatieve toets(vraag). Die heeft namelijk een heel ander doel!

Nog wat tegels die ik overgenomen heb:

 

 

 

 

Bij iedere tegel hebben we even stilgestaan en gedachten met elkaar gedeeld. Zeer waardevol.
Het opruimen is voor mij een belangrijke geweest om ruimte te maken voor herhaling voor leerlingen en om tijd te kunnen besteden aan het onderzoeken met elkaar wat kwaliteit van mijn vak is, wat succescriteria zijn, hoe je goed feedback geeft, hoe je feedback verwerkt etc. In een overladen curriculum lukt dat niet (voldoende) dus moet je ergens tijd maken. Die tijd is te maken! Als je maar goed weet wat de leerdoelen van leerlingen echt zijn. Vakkennis is dus onontbeerlijk om goed formatief les te kunnen geven, om goed feedback en feedforward te kunnen geven, om goede controle van begrip vragen te kunnen stellen. In die zin ben ik meer wiskunde docent geworden dan ik dacht te zijn. Ik beschouwde mezelf altijd meer als docent wiskunde, maar dat kan ik niet volhouden als ik formatief lesgeef. Sterker nog, ik vind het een verrijking voor mezelf dat dit aspect toch een prominentere rol heeft gekregen in mijn lesgeven!

De eerste rond was kiezen tussen Rob&Sofie die gezamenlijk een workshop deden over peerfeedback en het leren zichtbaar maken; Linda Allal die haar onderzoeks resultaten over Assessement for learning ging delen en Vera Simon Thomas die ging vertellen over de aanpak en inhoud van toetsbeleid (Je krijgt wat je meet). Mijn keuze werd Linda Allal.

Linda Allal heeft samen met Dany Laveault onderzoek gedaan in verschillende landen naar de implementatie van Assessment for learning (in sommige landen ook formative assessment genoemd) en daarover gepubliceerd in het boek Assessement for Learning: Meeting the Challenge of Implementation.

Assessment for learning heeft verschillende definities, afhankelijk van de tijd en wie je het vraagt. Op een congres in Nieuw Zeeland (2009) is een definitie gegeven die denk ik wel erg goed de lading nog steeds dekt in de manier waarop ik er ook naar kijk:

Assessment for learning is part of everyday practice by student, teachers and peers that seeks, reflects upon and responds to information from dialogue, demonstration and observation in ways that enhance on-going learning.

Het is goed om deze definitie goed op je in te laten werken en woord voor woord tot je te laten komen. Er staat geen woord te veel of te weinig in.

Everyday practice; het gaat om je dagelijkse lesgeven, niet om een moment waarop je iets ‘meet’. Formatief lesgeven is verweven in de manier waarop je naar je leerlingen kijkt, hoe je je onderwijs vorm geeft, in je visie op leren, in de opdrachten die je leerlingen geeft, in de manier waarop je feedback geeft,  etc. Dag in, dag uit.

Student, teachers, peers; je gebruikt elkaar om te leren, als informatiebron, als hulpmiddel. Alleen leren bestaat feitelijk niet. Wat ook aan bod kwam: self-regulated leren bestaat eigenlijk niet, het is altijd co-regulated leren!

Seek, reflects upon en responds to;  niet passief maar actief op zoek naar je voortgang in leren, reflecteren op waar je staat, handelen om te groeien.

Information from dialogue, demonstration and observation; dus zeker niet alleen die formatieve toets, er zijn zo veel meer mogelijke manieren om met elkaar te zien en vast te stellen waar op de leerladder de leerling zich bevindt en hoe verder te komen. De interactie tussen leerlingen waarnemen levert al zo veel informatie op; als je een leerling aan een andere leerling een lastig/complex vraagstuk ziet uitleggen op een goed/hoog niveau is dat dan al niet voldoende bewijs van leren?

in ways that enhance on-going learning; leren is een continue proces, leren kent geen eindpunt. Een summatieve toets is dat vaak wel. Einde hoofdstuk, en de opmaat voor de start van iets nieuws. Formatief is dat juist niet. Formatief stimuleert het continue leren, waardoor leerlingen kansen krijgen te groeien en minder allemaal in dezelfde tijdspanne hetzelfde leerrendement moeten behalen.

In de workshop van Linda wisselen we in groepjes en daarna plenair nog gedachten uit op niveau van Afl in de klas,  professionaliseren van docenten en op beleidsniveau op school. Geen oplossingen voor de bekende spanningen in het huidige onderwijsveld in Nederland. Wel de hoopvolle signalen dat er langzaamaan beweging in aan het komen is. Er zijn scholen die het anders durven en kunnen doen. Er zijn openingen op beleidsniveau met verschillende instanties om naar andere systematieken te kijken en daar over na te denken. Aan ons om onze idealen vast te houden en te blijven pleiten en werken aan deze idealen. Met de aanwezigen lijkt dat qua passie en toewijding geen probleem!

Een heerlijke lunch en een mooi lente zonnetje zijn een welkome break om alle gesprekken en informatie even te laten zakken. Maar ja, waar gaat het tijdens de lunch over. Stiekem toch nog steeds over wat ons bindt en boeit!

Na de lunch is er voor mij niets te kiezen. Voor anderen wel. René gaat in gesprek over het profesionaliseren van docenten in het onderwijs, Åsa Hirsch gaat de vertaling leggen van formative assesment naar de instructie in de praktijk, Dieke en ikzelf gaan onze praktijk ervaringen delen en proberen de aanwezigen een vertaling naar hun les van morgen te laten maken.

Onze presentatie en gegevens hebben we in de gedeelde (google drive) map van de Facebookgroep Actief leren zonder cijfers gedeeld.

We hebben het kort gehad over deze cyclus die je/je leerling eigenlijk constant doorloopt. Het woord toetsen staat daar niet in! Dat past dus ook prima bij de definitie die Linda liet zien.

We hebben praktijk voorbeeld laten zien uit onze lessen en het was leuk om te zien en ervaren dat aanwezige deelnemers met elkaar ideeën over vertalingen naar eigen lessen gingen uitwisselen. Een uur is veel te kort om te doen wat je wil. Maar de interactie met en tussen de deelnemers was super en ook voor ons heel waardevol. Wij hebben van de workshop genoten en hopen dat de deelnemers er voldoende van mee naar huis hebben kunnen nemen.

Plenair afsluitend, onder leiding van René, zijn we langs de zes aanbevelingen gelopen om na een inspirerende dag daar nog met elkaar op te reflecteren:

1) Denk vanuit een samenhangend curriculum waarin onderwijs, leren en toetsing
naadloos op elkaar aansluiten.
2) Zorg voor een mix aan ‘toets’methodes en maak voor de leerlingen en hun
ouders inzichtelijk welke methode je wanneer gebruikt en waarom.
3) Maak zwaarwegende beslissingen op basis van rijke informatie over de voortgang
van leren.
4) Geef leerlingen een gevoel van autonomie.
5) Creëer binnen de school mogelijkheden om de dialoog over leren te bevorderen.
6) Stimuleer kleine initiatieven en bewaak tegelijkertijd de langetermijnambitie
van de school.

Zo’n eind reflectie maakt een mooie ‘indaling’ van alle informatie van de dag mogelijk.

Bij de bedankjes van de sprekers kwam nog een uitspraak van Linda, die Rob en mij nog echt prikkelde en die misschien nog wel voor ons de grootste opbrengst van de dag was. Rob heeft ‘m mooi verwoord in een twitter bericht:

Het formatieve lesgeven werkt verrijkend voor zowel de lesgevende als de lerende. De informatie uitwisseling werkt namelijk twee kanten op. De lerende krijgt informatie om verder te kunnen leren. De lesgevende krijgt informatie om zijn/haar lesgeven bij te stellen.  Daar ligt een (de?) enorme kracht van formatief lesgeven!

 

Hiermee, en met een prima verzorgde borrel ging een inspirerende eerste Toetsrevolutie-congres naar een einde.  Met een soort edcamp/meetup gevoel (= bruisend van energie) de auto in gestapt. Dat heb ik lang niet bij ieder congres!

Het volgende Toetsrevolutie congres staat gepland op 9 november 2017. Het zal dan voornamelijk gaan om Feedback!

 

Wat het congres tijdens een afsluitende diner nog meer heeft opgeleverd:

  • Dat nog niet iedereen (!) wist dat een giraffe zeven  nekwervels heeft…..
  • ….en een slang niet.
  • Dat HV71 het beste ijshockey team van Zweden is (ondanks de met 3-4 verloren wedstrijd van gisteravond om het kampioenschap in de best  of seven serie)
  • Dat vwo Engels ‘a differentie cookie is’ dan mavo Engels
  • Dat er van het boek “Orde houden in het vmbo” een niet gepubliceerd hoofdstuk X bestaat (waarvan wij nu wel de inhoud voor een beetje kennen)
  • Dat humor ook humor is (of kan zijn), ook al snappen anderen de humor niet
  • Jasmijn & Ik en een heel goede plek is om lekker te gaan eten!

 

Bewaren

Onderwijsfeest genaamd EdcampNL

Niet de eerste blog die verschenen is na weer een fantastische vierde editie van EdcampNL. Voor mij de derde keer in Nederland, na ook een Edcamp in België meegemaakt te hebben. Deze keer was het “the best of both combined.”

Te gast bij OBS De Bijlmerhorst werden we gastvrij ontvangen door Bart en de collega’s van deze school. De dag was uitstekend voorbereid en werd in goede banen geleid door Patricia en Frans. Allemaal hartstikke bedankt daarvoor. Ook allemaal maar weer vrijwillig gedaan.

 

 

Na de opening, en je ziet het links achterin op het raam al hangen, was het een rush op het planbord.

Voor de 6 beschikbare lokalen waren 5 tijdsloten van 30 minuten beschikbaar om met elkaar te presenteren, brainstormen, creëren, discussiëren, hulp te vragen, anderen aan het werk te zetten: jij bedenkt het en de aanwezigen kiezen of ze daarbij willen zijn.  Overgenomen uit de Belgische editie is het tussendoor pitchen in maximaal 30 seconden van jouw sessie, zodat de aanwezigen nog bewuster hun keuze kunnen maken. Na iedere ronde kwamen we dus even terug in de centrale ruimte. Daar kon je dan gelijk ook weer wat lekkers pakken en meenemen. Ook een overgenomen ding van onze Belgische vrienden (waarbij Frans in zijn blog al terecht opmerkte: meer zelfgebakken mag, gezien de complimenten die Petra ontving!).

Mijn keuzes deze dag:

Sessie 1
Werken met Badges in het onderwijs is iets wat ik al langer volg maar nog niet zo heel lang gebruikt. Paul Laaper deelde met ons zijn ervaringen met Badgecraft.eu.  Hij had hier op een werkconferentie in Litouwen mee kennisgemaakt. Je kunt er projecten in aanmaken en deelnemers badges laten ‘verdienen’. O.a. door bewijzen in te laten dienen en die te laten beoordelen door zichzelf, door anderen en door de organisatie. De toepassing in het onderwijs is niet lastig te bedenken. Sterker nog, die zijn er al op talloze plekken te vinden. Zelf gebruik ik Forallrubrics.com waarin leerlingen ook een badge kunnen aanvragen indien ze vinden dat ze die verdienen. Daarvoor moeten ze ook bewijsmateriaal indienen. Dat lijkt inderdaad op portfoliowerk. Zelf badges ontwerpen kun je, vind ik,  het makkelijkst doen met Canva. Een leestip als je wat meer wilt zien/lezen over het gebruik van badges in het onderwijs is het volgen van de blogs van Eus van Hove.
Overigens kwam er denk ik een terechte vraag of het beoordelen met een badge nou anders is dan het beoordelen met een cijfer. Het blijft immers een beoordelingssysteem. Voor mij is het behalen van een badge (ben er net mee begonnen), het markeren van een punt waarbij een leerling een domein mag afsluiten en er niet meer op terug hoeft te komen. Ofwel, bij de keuze tijd waarin hij nog kan werken aan reparatie van nog niet behaalde leerdoelen, vallen de doelen in het domein van de behaalde badge dus buiten beschouwing: die zijn klaar voor de leerling.

Sessie 2
Een inwijding in “Het Geheim van de Leerling” door Jan Tishauser. Volgens Jan is Graham Nuthall een van de meest onderbelichte onderwijsonderzoeker. Zijn boek “The hidden lives of learners” zou in je boekenkast moeten (komen te) staan.

Wat uit zijn onderzoeken kwam, was in die zin schokkend: er waren geen schillen in leeropbrengsten te constateren tussen ervaren docenten, beginnen docenten en beginnende docenten die instructie hadden ontvangen. In ieder geval niet op basis van de ervaring. De verschillen in leeropbrengsten waren terug te relateren in wat die docenten deden in de lessen. En dan met name in de manieren waarop deze docenten feedback gaven en de manieren waarop en de soort vragen die ze stelden. Verder onderzoek toonde uiteindelijk aan dat als een leerling 3 x heeft opgelet bij het behandelen (in breedste  zin van het woord) van de lesstof, er met 85% zekerheid voorspeld kon worden welke toetsvraag een leerling een jaar later over die stof goed zou gaan beantwoorden. De presentatie van Jan Tishauser kun je vinden op de site van Researched.eu.
Boeiende kost. Dit bevestigt in ieder geval de kracht van herhalen, herhalen en herhalen.

Sessie 3
Mede Crowdlid Liesbeth had vragen over het Leraren Ontwikkel Fonds. Aangezien ik daar ook gebruik van maak dit jaar, sloot ik hierbij aan om mee te helpen haar vragen te beantwoorden. We zaten met acht personen om Liesbeth heen. De nodige tips kwamen boven tafel. Ook Sofie is met aan aanvraag bezig en maakte dankbaar gebruik van de uitwisseling. Van belang is dat jij als docent de aanvraag doet. Jij hebt een plan, een idee. Belangrijke tips waren dat het goed is om collega’s mee te krijgen voor  aanvraag. Dat is fijn in de samenwerking, maar zorgt ook voor een duurzame verandering of verbetering die je met je initiatief wilt bereiken. De grootste winst zit in tijd die je kunt ‘kopen’ met de subsidie.

Tijdens de lunch gaat het onderwijsfeest gewoon door. Er werd nog gesuggereerd dat er een overdaad aan zoetigheid was, maar nee. Er was ook chips en wraps met makreel. Voldoende balans dus. Terwijl Dieke en ik een verkorte versie kregen van de workshop van Sofie (sessie 4) besloten we om dan tijdens sessie 4 alvast een raamwerk op te zetten voor onze gezamenlijke workshop op het congres van Toetsrevolutie.

Sessie 5
Jan Lepeltak nam ons tijdens de laatste sessie even door de ontstaansgeschiedenis en de doelstellingen van de KomenskyPost door. Een aantal aanwezigen had al eens via KomenskPost geblogd. Gezien de kwaliteit die dit onafhankelijke platform nastreeft zit daar altijd nog een redactionele slag tussen. En dat is ook nodig, merkten een paar bloggers op. We bloggen vaak vanuit onze praktijk, graag actueel. Dan is het fijn als er redactie ‘over heen gaat’ als de publicatie niet via de eigen blogsite gaat.

 

En dan komt het eind al weer in zicht. Maar niet zonder vermelding van de datamuur die ik in alle lokalen tegen kwam op de Bijlmerhorst:

Als liefhebber en aanhanger van cijferloos en formatief lesgeven kan ik hiervan genieten. Ik zie van iedere leerlingen dat er ontwikkelingen bijgehouden wordt op verschillende gebieden. Groei wordt in het lokaal zichtbaar gemaakt. Zo zag ik op nog meer plekken in deze school spreuken, posters, foto’s met allemaal focus op een stukje burgerschap in de school, growth mind-set en eigenaarschap.  Dat hebben ze goed voor elkaar als je het mij vraagt!

In de auto naar huis dwalen mijn gedachten af: “Wat zou er gebeuren als je deze Edcamp deelnemers op één school laat lesgeven………”
Het beeld van de school die dan zou ontstaan wil zich maar niet vormen voor mijn ogen. Maar de vrolijkheid, geluk en blijdschap waarmee ik nu naar huis rijd,  zouden dan zo maar dagelijks kunnen zijn!

 

Meer lezen over deze EdcampNL:

Live-blog van Karin Winters
– Jufinger: edcampNL 2017
– Een storify van Jacques Verschuren
– Rhea Flohr: edcampNL #4
– Petra Holstein, met een recept voor een heerlijke taart, die helemaal op ging: edcampNL 2017
– Glenn Hille: edcampNL – Het blijft een feestje!
– Frans Droog: edcampNL was weer top
– Ingrid Rijnbout: edcampNL 2017
– Jan Lepeltak: edcampNL 2017: Badges en microbits
– Jörgen van Remoortere: Onderwijsfeest genaamd edcampNL
– Pauline Maas: De vierde edcamp

 

Bewaren

leerling – leraar – leidinggevende

Een jubileumfeestje van The Crowd kan niet anders gaan dan over regie over je eigen professionaliseren. Los van de super verzorging en het gastvrije ontvangst op Het Houtens, waarvoor hartelijk dank Rob,  is een bijeenkomst met The Crowd deelnemers altijd een feestje. Om de simpele reden dat het stuk voor stuk fijne mensen zijn.

Waarom? Ze hebben allemaal passie voor onderwijs, passie voor zelf leren, zijn nieuwsgierig, ervaren autonomie, hebben geloof in eigen kunnen (en zijn daarin #faalvaardig), en ze richten hun werk in met wat zij betekenis vol vinden.

Kortom, volgens onderstaande slide uit de bijzonder interessante workshop over netwerkleren van Matthieu Vaessen gisteren, voldoen ze aan de vereisten voor talentontwikkeling:

paradoxen

Nu staat boven deze slide dat dit dilemma’s en paradoxen zijn voor leidinggevenden.
Ik, als docent, herken in het linkerrijtje voornamelijk dat wat ik in mijn lessen probeer voor elkaar te krijgen bij mijn leerlingen. Als mij dat namelijk lukt, dan zal de leerling eigenaarschap gaan vertonen van zijn/haar eigen leren en daarbij zijn/haar eigen intrinsieke motivatie aangeboord hebben om te leren.

Randvoorwaarde om dat te bereiken is dat ik als docent dus eigenaarschap kan vertonen om mijn eigen onderwijs te ontwikkelen en vorm te geven, waarbij ik bij mijn eigen intrinsieke motivatie ben gekomen om dat ook te gaan doen.  Met andere woorden: ik moet hetzelfde gedrag gaan vertonen als ik verwacht van mijn leerlingen. Het mooiste is zelfs als ik bewust ben ben of word van de strubbelingen die mij dat gekost heeft, omdat ik daarmee mijn leerlingen ook kan helpen door hun strubbelingen heen te loodsen (mooie gids functie).

Wat betekent dat dan voor de leidinggevenden in het onderwijs? Als zij vanuit het rechter rijtje proberen het linker rijtje te bewerkstelligen bij docenten dan is het nog maar de vraag of dat ook echt succesvol gaat zijn. Vandaar de woorden dilemma’s en paradox boven aan de slide.  Een cruciale sleutel om hier uit te komen kwam tijdens de workshop volgens mij langs in deze vraag die een schoolleider zich, in mijn ogen, regelmatig aan zichzelf moet stellen:

Hoeveel van mijn leiderschap heb ik deze week weggegeven aan mijn team?

Het gaat namelijk niet alleen om ruimte geven aan professionele ontwikkeling van docenten maar ook om het geven vertrouwen.  En dan komt het loslaten. Dat is lastig. Voor ons als docenten richting onze leerlingen ervaren we dat als laastig (leerlingen moeten fouten mogen maken), maar zo zullen schoolleiders  dat dus ook lastig vinden richting hun docenten (docenten moeten ook fouten mogen maken!).

Als afronding van de workshop hebben we in een placemat werkvorm nog gesproken over wat je moet verzwakken/versterken/vasthouden/verwijderen als school om netwerk leren te bevorderen. Dat heeft Rhea Flohr verwerkt ik haar blog. Daar verwijs ik hier graag naar.

 

Wat ik zelf in ieder geval weer meeneem is dat ik bij het zoeken naar een nieuwe school voor mezelf voor komend schooljaar, niet alleen ga kijken naar het (vernieuwende) onderwijs van de school, maar ook zeker naar de manier waarop de schoolleiding het leiderschap weggeeft aan zijn/haar docenten.

 

 

 

Boekbespreking – Toetsrevolutie

Deze boekbespreking verscheen eerder (29 december 2016) op Komensky post

Laat ik maar direct eerlijk zijn: het valt niet mee om objectief te blijven over een boek als Toetsrevolutie* als een aantal schrijvers en bijdragers, in je top 10 lijstje staan van inspiratoren uit het onderwijs.

Ik wil ervoor waken dat het een review wordt in de stijl van “Wij van wc-eend, ……” en hopelijk is dat gelukt. Zo niet, dan heb ik in ieder geval de poging daartoe gedaan en hoop ik dat hettoetsrevolutie-hr me vergeven wordt.

 

De aanleiding

Waar leerlingen zich vooral in zullen herkennen, is de hoge mate van toetsdruk in het onderwijsprogramma. Al vroeg in hun basisschoolcarrière worden leerlingen geconfronteerd met toetsen: het op een bepaald moment moeten voldoen aan een vastgestelde norm. Daar krijg je een waardering (meestal in de vorm van een cijfer) voor, waar dan een status of een oordeel uit voort komt. In het voorgezet onderwijs komt daarbij dat ieder vak in een rapportperiode een bepaald aantal cijfers moet produceren, anders zegt een rapportgemiddelde te weinig om op een rapportvergadering een ‘goed’ besluit te kunnen nemen. De schrijvers en bijdragers van dit boek geven allemaal aan dat er in dit proces iets cruciaals vergeten wordt: het leren van de kinderen! De focus komt primair te liggen op het leren voor een cijfer. Terwijl we eigenlijk willen dat een leerling leert om er wijzer van te worden; dat een leerling leert om een ontwikkeling door te maken. Het leren om daadwerkelijk ook iets te leren lijkt in de huidige praktijk van ondergeschikt belang.

De verandering

De verandering die er moet plaatsvinden, volgens de schrijvers en bijdragers, is een verandering van leren voor cijfers, naar leren om het leren. In andere woorden: niet meer toetsen om het toetsen (en produceren van cijfers) maar toetsen om van te leren. In vaktechnische bewoordingen is dat een verschuiving van summatief toetsen naar formatief toetsen. Heel simpel gezegd verschuift de summatieve toets die normaal aan het einde van de lesstof zit en de leerperiode afsluit, naar een ander moment of zelfs naar meerdere momenten. De formatieve toets vindt plaats gedurende de leerperiode, dus terwijl de lerende nog midden in de lesstof zit. Na afname van de toets ontvangt de lerende feedback en krijgt de ruimte, kans en tijd om verder te leren. Maar dat is de simpele versie. Want (zo blijkt uit de zowel theoretische als praktische bijdragen in het boek) formatief lesgeven en het implementeren van een feedback-cultuur is een omvangrijke en ingrijpende verandering in het onderwijs.

Ingrijpend & energiek

Wat me opvalt in de verhalen van docenten die begonnen zijn met formatief toetsen, is de energie die ze uitstralen. Niet alleen zijn het bevlogen docenten; al deze docenten geven aan dat ze door formatief te werken, weer naar de kern van hun vak zijn teruggekeerd. Allemaal zijn ze zich opnieuw gaan afvragen wat nu ook al weer belangrijk is voor hun vak. Wat moeten de kinderen daadwerkelijk leren? Hoe zit het curriculum in elkaar? En niet alleen kijken ze naar de kennis, maar ook zie ik ze kijken naar studievaardigheden, samenwerking, leren reflecteren etc., etc. Ze vragen zich ook af: wat hebben de leerlingen van mij nodig? Hoe kan ik, of de leerlingen zelf laten, controleren hoe ver ze zijn in hun leren. Hoe komen ze een stap verder? In plaats van dat docenten een toets nakijken met een afrekenblik en een focus op wat er fout is, kijken ze nu naar wat er al goed is en hoe een kind verder kan komen. De positieve energie die dat oplevert, straalt er bij alle bijdragers vanaf. Een positieve docent voor de klas. Dat kan toch nooit verkeerd uitpakken?

Maar ingrijpend is het ook. Want alle vragen die deze docenten zichzelf stellen, daar moeten ook antwoorden op komen. Om aan te sluiten bij het proces van feedback en feedforward moet goed passend lesmateriaal gezocht of gemaakt worden. Ik zie verschillende docenten die hun eigen lesmateriaal of zelfs een geheel eigen methode geschreven hebben. Dat kost denk-, ontwikkel- en maaktijd en ook tijd om met leerlingen te ‘testen’ en te verfijnen. Docenten doen dat nu nog vaak solistisch. Het zou veel fijner en efficiënter zijn als docenten dat veel meer in samenwerking zouden kunnen doen. Dat komt de kwaliteit ook ten goede. Samenwerken vereist ook naar docenten toe en tussen docenten onderling een meer open feedback-cultuur. Iets wat momenteel nog niet vanzelfsprekend is.

Feedback geven en organiseren in een klas kost tijd. In de volle klassen van tegenwoordig dwingt je dat te zoeken naar mogelijkheden zoals het feedback geven van leerlingen aan elkaar, in het boek genoemd als peerfeedback. Wellicht dat digitalisering daar in kan helpen. Maar gelukkig ligt de focus daar in het boek niet op: het gaat om het onderwijsleerproces en niet om de tools. Die zijn altijd ondersteunend.

Implementeren

In de afsluiting van het boek staan zes aanbevelingen voor het implementeren van een feedback-cultuur in het onderwijs. Omdat ik zelf ook bij een pilot met formatief (en cijferloos) evalueren betrokken ben, heb ik daar wat langer naar zitten kijken.

Volgens mij is die eerste stap met het curriculaire spinnenweb een hele essentiële.

spinnenweb

 

Het is Het Waartoe.  Als je dat niet deelt met elkaar als team op een school, dan kunnen er op enig moment enorme problemen ontstaan:

  • Zo kunnen er keuzes gemaakt worden die niet in lijn zijn met wat je als school wilt.
  •  Of het team zal niet achter keuzes staan en door andere invullingen te geven aan afspraken er voor zorgen dat er scheurtjes ontstaan in het spinnenweb.
  •  Er kan een mindere dynamiek tussen docenten zijn of ontstaan als ze niet hetzelfde willen nastreven. Andersom: ik ervaar een enorme dynamiek als ik met mensen samenwerk die dezelfde ambities en doelen hebben!

Mijn persoonlijke tip is om deze eerste stap dan ook echt, maar dan ook echt heel erg goed te doen. En wil je formatief, dan zul je dat meteen vanaf het begin al in moeten brengen. Dan zal iedereen hier al moeten beseffen (op hoofdlijnen, nog niet in concrete oplossingen!) wat formatief leren/lesgeven/evalueren inhoudt: voor het onderwijs, voor leerlingen, voor zichzelf, voor de rapportvergadering, voor ouders etc.

Voor wie is dit boek?

Ben je bezig met formatief lesgeven of formatief toetsen dat is dit boek een heel fijn boek om te hebben. Het inspireert je om door te gaan, het geeft je nieuwe ideeën vanuit de praktijkvoorbeelden van collega’s. Het geeft voor iedere docent begrijpelijke achtergrond informatie vanuit onderzoek en het geeft houvast bij implementatiestappen.

Het is een geschikt boek om aan je leidinggevende te geven als die nog niet overtuigd is van formatief toetsen, of aan collega’s die je aan het denken wilt zetten. Het boek is namelijk niet belerend. Het probeert je niet te overtuigen in de zin dat het vindt dat JIJ als lezer iets moet. Het laat je zien waar anderen enthousiast over zijn en wat bij hen werkt. Het laat ook zien, met onderbouwing, waarom het werkt.

Het is een prima boek om aan beleidsmakers te geven die na moeten denken over onderwijsvisie en kwaliteit van onderwijs. Zij krijgen kans door een bril te kijken naar onderwijs, dat meer is dan het zijn van een cijferfabriek; onderwijs meer gericht op groei van kinderen, op een manier die veel meer recht doet aan kinderen en hun docenten; een bril op onderwijs die laat zien dat het beleid op onderwijs momenteel een belemmerende factor is op bepaalde momenten.

Het is ook een boek voor uitgevers van onderwijsboeken en methodes. Zij kunnen zien dat docenten eigen materiaal en zelfs methodes zijn gaan schrijven omdat de huidige methodes blijkbaar niet aansluiten bij formatief lesgeven. Voor hen een mooi aanknopingspunt om die aansluiting wel weer te gaan zoeken en vinden.

Als laatste zou het ook niet verkeerd zijn om ouders dit boek te laten lezen. Wat zou het fijn zijn als ouders wat minder naar cijfers gaan vragen als hun kind thuis komt van school (“En heb je nog cijfers terug?”), maar wat meer naar hun welbevinden en het proces van leren (“En hoe is je dag, is het nog gelukt met reactievergelijkingen waar je gisteren mee worstelde?”).

Mocht je na het lezen van deze bespreking of na het lezen van het boek Toetsrevolutie aansluiting zoeken bij collega’s die ook op de route van het formatief lesgeven hun stappen aan het zetten zijn, kijk dan eens op de facebookgroep Actief leren zonder cijfers. Daar wordt veel gedeeld en kun je je vragen kwijt.

Toetsrevolutie is ook als pdf gratis te downloaden.

De toetsrevolutie. Naar een feedbackcultuur in het voortgezet onderwijs. Door Dominque Sluijsmans en René Kneyber (red.). Uitg. Phronese, Culemborg 2016.